Uit de archiefstukken blijkt dat Albertus Masselink in 1818 trouwde met de dochter van boer Jan Meijer. Jan en zijn schoonzoon maken in 1819 bekend dat zij ’een hoekje veldgrond wenschen aan te maken’.                           

Op dit hoekje ‘De Sandbergen’ wordt in 1820 een ‘koren- wind- standerdmolen‘ gebouwd.

Bij dit type kan de molen vanaf de grond worden bediend. De molen wordt er op de wind gekruid, de zeilen worden er voor gelegd en de vang wordt er gelicht, of er op gelegd. Als een molen, zoals de standerdmolen, vanaf de grond bediend wordt, is er sprake van een grondzeiler. Daar kleven echter wel een paar nadelen aan. Als boeren hun graan komen brengen, moet de molenaar de molen stil zetten. Hij moet stoppen met malen. Geen productie meer. Als er voldoende wind is om te kunnen malen heeft hij de tijd hard nodig. Hij is er van afhankelijk en er nooit verzekerd van. Als dan ook nog in de omgeving de bomen en bosschages alleen maar hoger worden, dan krijg je daar met een grondzeiler steeds meer last van. Als de molen dan ook nog in verval raakt en je wil je aan de toenemende vraag naar je product blijven voldoen, dan moet je in het beetje vrije tijd dat je hebt op een kladje toch eens een berekening maken en je afvragen of je er niet verstandig aan doet om een nieuwe molen te laten bouwen.

De molen moet er ruim veertig jaar gestaan hebben. Is hij niet in verval geraakt, dan kan het zijn dat concurrentie door de opkomst van elektromotoren de drijfveer is geweest. Gezien het resultaat is er gekozen voor een grotere molen en ook een ander type. In vergelijking met molens in de buurt was dit een grote molen. Vandaar waarschijnlijk de naam Grote Geesterse Molen. Het is echter een klein type, vergelijkbaar met een Friese mount, of monniksmolen.

Er zullen vrijwel zeker bouwplannen, bouwtekeningen gemaakt zijn.  Misschien op de achterkant van een sigarendoos, Helaas is  er niets van bekend. Ook niet wie de molen heeft gebouwd. Met de bouw van de molen moet, gezien een notitie van ‘de Hollandsche Molen’, begonnen zijn in1863, terwijl de sluitsteen in de toog de datum 6 mei 1867 aangeeft. Misschien heeft die in dat jaar de definitieve vorm gekregen.

Gezien het gebruik van de bouwmaterialen moet naar het kostenplaatje gekeken zijn. Het hout voor de achtkantstijlen kon wel uit de eiken gezaagd worden die in de nabijheid stonden. De oude hoekstijlen konden wel als bintbalken worden gebruikt. Balken, planken en onderdelen [bovenwiel, vangbalk met gat voor een ‘houten sabelijzer’] zijn stille getuigen van efficiënt hergebruik van beschikbare resten.

Als je rondkijkt in de molen zie je nog de balken met verfsporen, inkepingen en boorgaten.

Zolderingen waren alleen maar daar aangebracht waar je noodzakelijkerwijs moest kunnen staan. Trappen waren er niet. Wanneer je in de kap moest zijn, kon je op de meelzolder gebruik maken van een ladder om op de steenzolder te komen om daarna via de achtkantstijlen naar boven te kunnen klimmen.

Rond  1900 gaat de molen over naar de familie Kienhuis. Drie generaties runnen de molen. Om de  concurrentie te lijf te kunnen gaan, moest je wel bij de tijd blijven. Rond 1920 wordt het pakhuis bij de molen gebouwd en werden ook andere producten verkocht. Er werd ook een maalstoel in geplaatst, die vermoedelijk door ‘ne stoom’ werd aangedreven en veel later kwam er nog een elektrische hamermolen.

Om de molen niet te laten vervallen werd rond 1943 nog een subsidie verleend, terwijl de molen minstens 10 jaar al niet meer in werking is geweest. Deze was bedoeld om het houten wiekenkruis te vervangen door gelaste roeden. Volgens de overlevering zijn deze afkomstig van de molen van Tubbergen.

Dankzij de bemoeienis van De Hollandsche Molen is nog een subsidie verleend om het rendement van de molen te verhogen. Daartoe werden de wieken voorzien van Van Busselneuzen en de krui-inrichting aangepast door een kruilier aan te brengen, dit terwijl de molen al niet meer maalvaardig was. Met een minimum aan subsidie en aflatende zorg was de molen niet meer te redden en werd in 1953 door Kienhuis aangegeven de molen te willen afbreken. Moest je ook in die tijd De Hollandsche Molen, die zich sterk maakte voor het behoud van de nog bestaande molens, niet laten weten. Ook al niet vanwege het feit dat ze gepoogd hebben regelmatig subsidie te verlenen. Met veel geduw en getrek tussen de betrokken instanties en de eigenaar is de aftakeling wat minder snel gegaan. Van 1965 tot 1974 heeft de noodklok keer op keer geluid en werd er uiteindelijk grondig gerestaureerd. De roeden waren weer voorzien van windborden in plaats van Van Busselneuzen, ook de kruilier was vervangen door een kruirad. Er kon gedraaid, niet gemalen worden. Tot in 1983 twee vrijwillig molenaars kans zagen om in overleg met Kienhuis de molen weer aan de praat te krijgen. Na enkele jaren stoeien met de techniek hebben ze het voor elkaar gekregen met de molen te kunnen malen.

Behalve aan het inwendige moest nogal wat aandacht besteed worden aan het uiterlijk. De staat van de ramen en het hekwerk holde achteruit. De toenmalige molenmaker was zo behulpzaam materiaal te leveren om ramen en heklatten te vervangen. Enkele jaren konden we ons behelpen. Dat hield een keer op toen we gingen beseffen dat het onbegonnen werk was. Klimmen in het hekwerk was niet meer verantwoord. Einde oefening. We praten dan over 1995.

Na veel overleg met Kienhuis, eigenaar van de molen, is besloten de molen voor het symbolische bedrag van  fl. 1,– over te doen aan een stichting. Deze heeft er voor geijverd dat de molen in 1997 een flinke opknapbeurt kreeg. Tot de dag van vandaag houdt het stichtingsbestuur contact met de molenaars om de molen in optimale staat te houden. Dat blijft een voortdurende zorg, temeer daar de molen gezien wordt als een bejaarde met allerlei mankementen. Is vandaag het ene verholpen, morgen treedt er iets anders op. En niet te vergeten, direct na de bouw van de molen werd al geconstateerd dat de achtkantstijlen, met name de boveneinden wel erg zwak waren. Tijdens het zware kruien met een voeghouten kruiwerk bleek de bovenkant van het achtkant zwaar te lijden had van de torsiekrachten. Die is dan ook verstevigd met extra veldkruizen. Een van de achtkantstijlen is extra omkleed met 4 cm dikke eiken planken, aan een andere is een ‘noodverband’ aangelegd, nadat geconstateerd was dat deze bijna gebroken is. Plannen voor een komende rigoureuze ingreep worden alweer voorbereid.

Hoewel klein, eenvoudig gerecycled, oud, opgelapt, met de nodige inspanning op de been gehouden, de molen trotseert nog steeds weer en wind. De Grote Geesterse Molen ademt nog steeds de sfeer van toen en is een waar toevluchtsoord voor belangstellenden, zowel kinderen als volwassenen.

Zeker voor de jeugd [kinderen die op school iets moeten leren over techniek] zijn er een aantal attributen, waarmee ze spelenderwijs leren hoe een molen werkt en hoe de molenaar omgaat met zwaar werk; voor volwassenen kan het een uitdaging zijn om, zoals velen al eerder, een opleiding tot vrijwillig molenaar te willen volgen. Er zijn twee instructeurs van het Gilde van Vrijwillig molenaars aanwezig die hen een mooie invulling van hun vrije tijd kunnen bezorgen.

Jan Jansen